Weergaven: 25
Met een bakje met hyacinten stond ik voor haar deur. Verrast opende ze de voordeur. ‘Voor mij’, vroeg ze, waarom?’
Ik denk dat iedere zorgverlener zich er wel in herkent; een gevoel van plaatsvervangende trots die je kan hebben voor je cliënt. De mevrouw in kwestie heb ik al een aantal jaren, af en aan, in zorg. Ze kwam in zorg met een klein wondje aan de laterale voetrand en een nagel die pijnlijk was. Een been vol varices. De zorgvraag leek simpel te zijn. Maar bij de anamnese kwam ik erachter dat het allemaal niet zo simpel was. Al geruime tijd was ze onder behandeling in het ziekenhuis vanwege een ernstige vorm van bloedkanker. De ene chemo na de andere. Dan stegen de waarden, dan zakten ze weer. Een flinke anemie was en is aan de orde van de dag. En dan ook nog een paar ogen waar de staar flink in huishoudt en niet geopereerd kunnen worden door de chemo en dan nog die wondjes, ga er maar aan staan. In de stoel naast haar zat haar echtgenoot, een vriendelijke man met cognitieve problemen en een beginnende dementie. Dan ben je zelf zo ziek en zorg je ook nog voor je man. Gedurende de jaren ging het wondje open en dicht. Je kan ook niet al te veel verwachten als iemand zoveel chemo krijgt. ‘Je moet wat’, zei ze. Het bijltje erbij neergooien, komt niet in haar woordenboek voor.
De cognitie van haar man ging achteruit en hij moest opgenomen worden. Maar ook haar kanker werd ernstiger en de chemo’s sloegen slechter aan. Toch kwam ze elke dag uit bed, sleepte zichzelf in de kleren, maakte haar gezicht op en zette de pruik op haar hoofd. Zonder ging ze de deur niet uit. En dat deed ze, elke dag met het vervoer naar het verpleeghuis.
Een jaar geleden overleed hij. Ondanks zijn inmiddels verder gevorderde dementie, was hij haar steun en toeverlaat.



Leave a Comment